Blog

Fronnie is onderweg

24 april 2015,   By ,   0 Comments

Door Fronnie BIesma –

Het is april 2015. Ik ben in de asielzoekerscentra, de wereld van vluchtelingen, ontheemden in Nederland, er zijn, zien, horen, ontmoeten is het doel. Het vlakke land in Groningen en Ter Apel, de grote hallen. De eerste vriendjes van Selvy uit Arnhem nareizen, naar Azelo en verder. En overal zijn de vluchtelingen uit Syrië, de mensen die het hebben gehaald. Ja meestal over zee. Op bezoek in het vluchtgebouw in Amsterdam en in de gevangenis, bij studenten die ondernemingen met bewoners van azc’s op zetten, en bij de start van een summerschool in Amsterdam. Schrijven, met kunstenaars brainstormen, foto’s, de beelden, de verhalen, momenten, tijd. Een andere tijd en steeds de afstand overbruggen tussen werkelijkheden.

Sinds het 2015 is, is het me helder, dit wordt geen beter jaar in de wereld dan 2014. De afgelopen week werd ik letterlijk misselijk van de beelden van dode lichamen in zee, het meisje met de gele broek, het hoofd geknakt, het te blauwe water, de nogal vergaderachtige reactie van regeringen met de oude mantra’s, aanzuigende werking, mensensmokkelaars, de grenzen beschermen tegen de vloed. Dat het er zevenhonderd mensen moeten zijn die op een dag verdrinken om het nieuws te gaan bepalen, weten we dan nu, bij die aantallen ligt het omslagpunt, dat zijn er te veel.

Op het IJ, voor mijn huis drijven poppen, van heel klein baby formaat tot heel groot. Drenkelingen. Het is negen uur ’s ochtends, talloze schepen, grote en kleine reddingsboten, helikopters, brandweerauto’s, politie, mannen in duikuitrusting. Een oefening voor Sail. Misschien ben ik de enige die het te cynisch vindt om dat vandaag te doen. Gescheiden werelden.

Mensen die zijn uitgeprocedeerd en niet vertrekken worden met een crimineel vergeleken die zich niet zou laten opsluiten. Over de rug van Ilhaam en anderen bewoners van het vluchtgebouw heen wordt vooral politiek bedreven. Het politieke compromis wat naarstig wordt gezocht en waar nachtenlang over vergaderd wordt, hangt als zwaard van Damocles boven hun hoofden. Minimale opvang met heftiger terugkeerbeleid, liefst in de weilanden van Ter Apel. We houden gewoon de illusie in stand dat mensen dan wel gaan. Het krantenknipsel over de joodse vluchtelingen die in 1938 bij de grenzen werden teruggestuurd, en schreeuwden en huilden wordt op internet steeds vaker gedeeld.

En daar is het meisje met het roze jurkje met daarop hartjes, die we vergaten dag te zeggen, omdat we naar de open deur renden waar we met iemand mee naar buiten konden, vanochtend uitgezet. De stem van haar vader in mijn hoofd… “Het is moeilijk, ze is hier geboren.”

Hoe is het eigenlijk met de zus van een vriend, die nog steeds Syrië niet uit wist te vluchten, dendert me ook door mijn hoofd, en waarom vraag ik dat niet altijd als ik hem zie of spreek.

En steeds moet ik weer denken aan de vader van mijn nieuwe vriendje Mohamad, acht jaar uit Syrië, hoe hij zijn vrouw Randa en zijn drie kinderen van acht, zes en twee uit de oorlog heeft gebracht, over zee, in zo’n bootje. We hebben gebogen over mijn iPad op de bank met het hele gezin gezocht naar het dorp in het Zuiden van Syrië waar ze woonden is en hoe de bootreis dan precies van Libië via Malta naar Italië is gegaan. Ze vertellen over de angst onderweg en hoe lang het was en dat ze geen reddingsvesten hadden en hoe mamma gilde toen ze de kinderen bij het overstappen van de kleine naar de grote boot niet meer zag.

Hij heeft een krat op zijn fiets en fietst iedere dag door zijn nieuwe woonplaats naar de school, of zijn kinderen nu al naar school kunnen, die is vol zegt de school en iedere dag zoekt hij iemand om zijn post te kunnen lezen en met gebaren uit te leggen wat er in staat. Ze hebben de tocht overleefd, omdat ze opgepakt werden in Libië, vlak voor ze zouden gaan, uren in de cel doorgebracht, dat heeft ze gered, de boot die ze daardoor misten is omgeslagen vlak voor de kust. Ze laten foto’s zien van de vrienden die daar wel op zaten, de oude vrouw waar het lichaam wel van terug gevonden is. Op de terugweg zit er in de krat op zijn fiets, plantjes, munt en koriander en uien die hij in de omgeploegde achtertuin gaat planten. Onverwoestbare liefde voor zijn vrouw en zijn kinderen, die vooral door wat zijn handen vinden te doen wordt vormgegeven. Een vader vooral.

Ik loop door het Vondelpark op zo’n eerste warme lente dag, mensen liggen in het gras, terrassen vol, gelach, rokjesdag. Als een zwerm vogels loopt een groep van vooral mannen, uit de hoorn van Afrika met soms fietsen en tassen door het park, achter hen drie politiebusjes, soms denken ze een plek te hebben gevonden en dan staan ze weer op en lopen door, slenteren, de busjes er achter aan. Het is zoals het is. Ze zijn er wel, maar ze zijn er ook niet.

Opnieuw en opnieuw en opnieuw.

Ik word in de ochtend vroeg open met mijn ogen meteen open. De dag in. Het goede goed doen, het leven, aanraken en vinden, schrijven, er zijn, inspiratie, verhalen horen en vertellen. Het doet er toe. De verhalen. De mensen.


Berichten